Over mensen gesproken

  1. Ons gezin.

Hoe invloedrijk kan een slechte, zeer armoedige start van een mensenleven zijn als dat jonge leven begint in een gebroken gezin? Hoe frustrerend kan een dergelijk soort valse start zijn, in al haar hectiek? Bij de zoektocht naar mijn wortels loop ik niet alleen tegen de feitelijke bewustwording van de gevolgen aan, maar het mondt ook uit in verwondering over mijn levensloop. Als ik op zoek ga naar de oorzaken van die verwonderlijke levensloop, komen de herinneringen van alle bijzondere voorvallen vanaf mijn derde, begin vierde levensjaar terug alsof deze gisteren plaats gevonden hebben. Mijn verstand en hart hebben die herinneringen opgeslagen alsof het een latere plicht betrof mijn moeder die eer te geven, die velen in haar leven, haar onthouden hebben. Het gezin waar ik vanaf 1932, mijn geboortejaar, deel van uit gemaakt heb bestaat uit mijn vader Hendrik van Eijck, vaak afgekort tot de roepnaam Hend, moeder Janke Folkerts-van Eijck, mijn oudere zus Annie (later Ans) en jongere broer Hendrik die vernoemd was naar mijn vader. Nu was er nóg een jongen in ons gezin, Wolter, die ik ook als een broer beschouwde, maar bij mijn naspeuringen loop ik er tegen aan dat het helemaal geen broer van mij is. Niet eens een halfbroer. Voor mij toen niet te plaatsen, had ik ook nog een zus Lientje geheten, maar die was toen al in Arnhem in betrekking, later achter kwam ik er achter, dat zij een halfzuster van mij was. Ik wist van haar bestaan af maar dat was in mijn kleuterjaren dan ook alles. Wij woonden in die tijd in Heelsum gemeente Renkum en naar mijn herinnering hadden wij aanvankelijk een vrij normaal gezin. Maar in die tijd voltrokken zich alwel veranderingen in ons gezin die verstrekkende gevolgen zouden hebben. Gedurende mijn zoektocht loop ik tegen de onbarmhartige gevolgen daarvan aan. Zodra ik mijn zoektocht start en er wat verder mee kom, komt mijn eigen leven heel nadrukkelijk in beeld alsook dat van mijn vader, moeder, broer(s) en zusters. En niet te vergeten, het overgrote deel van de familie van vaderskant. De familie van moeder was altijd al buiten beeld geweest en ik zou er onthutst achter komen waarom dat zo was. Bij het zoeken naar mijn wortels kon ik soms mijn tranen niet bedwingen. Noch mijn vader noch mijn moeder hadden het lot verdiend waar zij mee te maken hadden gekregen. Mijn familieleven zoals zich dat mijn in beleving zou voltrekken onderging ik als in een slechte droom. Vanaf mijn derde, vierde levensjaar begreep ik al snel dat mijn moeder de zorg had voor vier kinderen zonder een cent vast inkomen. De gevolgen daarvan ondervond het hele gezin dagelijks. Ik had hier wel onbestendige, negatieve gevoelens over maar concreet onderging ik alles als of het mij niet raakte. En toch, in het leven van alle dag werd ik steeds weer snoeihard met mijn neus op de feiten gedrukt. Dat moeder na de scheiding van tafel en bed in concubinaat leefde wist natuurlijk de hele familie van Eijck. Voor mij, Annie en Hendrik en Wolter had het geen andere betekenis dan dat wij in bittere armoede moesten leven. Moeder zal zelf slechts een flauw vermoeden gehad hebben van wat het nu precies inhield. Toch liep ze wel iedere dag op tegen de gevolgen er van. Een straatarm gezin als het onze leefde in schande. De belangrijkste oorzaak daarvan was de scheiding; de gevolgen daarvan onderstreepten dit alles nog eens. Moeder ontving geen alimentatie of iets wat daar op leek. Verder kwam het er op neer, dat de mensen in onze omgeving wel medelijden met ons hadden, doch dit had voor mij gevoel ook iets meewarigs. Niemand nam ons serieus, en in contacten met bijvoorbeeld het Armenbestuur, werd moeder op voorhand gewantrouwd. Er waren wel mensen die ons steunden met eten in natura maar daar mocht geen ruchtbaarheid aan gegeven worden. Niemand die ook nog maar een woord tegen ons zei. Om het schaamtegevoel zoveel mogelijk te ontlopen verhuisden wij naar Renkum. Door tussenkomst van het Armenbestuur hadden wij aan de Groeneweg de helft van een tweegezinswoning toegewezen gekregen. Het was een uitgewoond huis in een toch wel gewone nette buurt. Het Armenbestuur had moeder uitdrukkelijk op het hart gebonden, dat dit huis alleen aan ons verhuurd kon worden als de buren niets negatiefs van ons zouden ondervinden. Maar hoe wij ook ons best deden, de buren vonden ons na verloop van enige weken niets waardig. Ons nieuwe onderkomen lag wel gunstig ten opzicht van de bewaarschool waar Hendrik en ik nog naar toe gingen. Annie zat in de tweede klas van de meisjesschool die direct gelegen was naast de kleuterschool. Wolter ging naar de jongensschool die vlak bij de kerk stond.

 Leven aan de Hoogenkampseweg.

Huurschuld en het geklaag van de buurt waren er de oorzaak van dat wij gedwongen werden te verhuizen naar de Hoogenkampseweg. Eerst werden wij ondergebracht halverwege die weg in een huis dat eerder deel had uitgemaakt van een boerderijtje. Het was een tweegezinswoning. Aan de andere kant woonde de boerin die op leeftijd was. Aan haar kant stond ook de waterput in de tuin. Altijd als wij water nodig hadden moest er een klein stukje over haar erf gelopen worden. Dat gaf altijd een wat onbehaaglijk gevoel. Wij noemden haar vrouw Schepers. Zij was weduwe en haar huis leek meer op een stal dan een woonhuis voor mensen. Op de deel lagen resten stro en veel oud hooi. Vrouw Schepers hield nog enige konijnen en kippen die vrij door het huis konden lopen. Overal lagen wat restanten van het voer. De hele situatie was een paradijs voor muizen. Daarom liepen er ook twee poezen rond. Moeder zei dat vrouw Schepers best een gastvrije buurvrouw was. Zij vond het niet zo erg als wij even bij haar binnen wipten. Een bezoekje van ons, of van mij alleen, bracht toch wat afleiding dacht moeder. Vaak zag ik dan op de deel van vrouw Schepers een poes met een muis spelen. Een ongelijk spel voor de muis die niet opgewassen was tegen de uitgestoken nagels van de poes. Ik begreep dat spelletje van de poes niet. Ik vond dat wij zelf ook in een soort gelijke positie verkeerden als de prooi van de poes. Ons bestaan balanceerde ook op de rand van het wel of niet overleven. De gezamenlijke wc of te wel het huisje, stond opzij van het huis en was niet meer dan een klein haveloos, houten kotje. De deur liep niet door tot de grond waardoor je altijd kon zien of “het huisje” ook bezet was. Soms kreeg moeder een enkele keer mannenbezoek. Die stond dan plotseling voor de deur. Een enkele keer liet zij de bezoeker ook binnen. Moeder maakte de bezoeker dan snel duidelijk dat zij niet (meer) “te koop” was. Daar was zij totaal niet meer in geïnteresseerd. Wel zag zij af en toe kans de bezoeker uit te leggen dat hij ook zo wel iets mocht afschuiven. Een enkele keer was de betreffende man dan kennelijk zo met haar toestand begaan dat hij of wat geld gaf, of later soms ook iets in natura liet brengen. De enkele keer dat vrouw Schepers aan onze kant kwam, liet zij merken dat mannenbezoek maar zozo te vinden. Een keer heeft zij moeder gevraagd hoe het toch kwam dat er weleens een vreemde man aan de deur kwam. Moeder heeft die vraag niet beantwoord.

Onze overburen waren gewoon aardige mensen. Zo woonden schuin tegenover ons de familie Stevens. Die hadden twee dochters die echt vriendelijk voor ons waren. Zij mochten met ons spelen en vaak trokken wij er gezamenlijk op uit om voer te zoeken voor de konijnen van vrouw Schepers. Die gaf ons daar altijd wat geld voor.

In de toekomst zou ik nog eens herinnerd worden aan de familie Geurts. Wat ik toen niet kon weten was, dat de oudste dochter Greetje geheten, nog eens zou trouwen met een klasgenoot van mij van de Tuinbouwschool, Frans Mols. Als ik vele jaren later tegen het stel aanloop weet ik even niet waar ik moet kijken. Greetje herkende mij meteen en ik haar ook. Niet zo gauw hadden wij kennis gemaakt of Greetje begon meteen te praten over het toenmaals wonen aan de Hoogenkampseweg. Tot dan toe had ik tegenover iedereen over mijn afkomst gezwegen. Daar had niemand iets mee nodig vond ik. Ik schaamde mij er nu eenmaal voor. Als Greetje begint te vertellen dat wij in Renkum tegenover elkaar gewoond hebben begin ik het ergste te vrezen. Zou zij iets zeggen over de armoede waarin ons gezin toen leefde? Dat mijn vader en moeder gescheiden waren en wij met Sint Nicolaas nooit een cadeautje kregen? Frans woonde destijds bij zijn ouders thuis en ik was een gestichtjongen. Niet dat Frans daarover ooit iets liet merken in onze gewone omgang maar het verschil lag er destijds nu eenmaal. Nog voor dat Greetje de kans kreeg er veel over te zeggen begon ik met Frans te praten over zijn loopbaan na de Tuinbouwschool. Had hij een baan naar zijn zin? In het gesprek dat volgde gaf Frans zelf er blijk van het niet zo dendenderend getroffen te hebben met zijn werkkring. Hij is tuinmanhuisknecht aan een klein ziekenhuis. En omdat ik toen al leraar plantenteelt was begrepen wij beiden dat er een bepaald maatschappelijk verschil zat tussen onze loopbanen. Destijds leek het er niet op dat dit verschil ooit zou kunnen ontstaan. Frans maakte toen een vrij abrupt einde aan onze eerste ontmoeting. Maar in de tijd dat wij naast vrouw Schepers woonden waren Annie en ik blij met de kinderen in de buurt want die wilden wel met ons spelen. Hendrik hield zich altijd opvallende afzijdig van de buren. Waarom weet ik niet maar hij was van ons drieën altijd het armoedigst gekleed. Zo kwam zijn witte onderbroek altijd een stuk onder zijn bovenbroek uit. Eigenlijk gaf dat een erg armoedige aanblik en de onderbroek was niet altijd echt wit.

Waren wij blij met de leuke overburen, vrouw Schepers was niet zo blij met ons als buren. Op een keer gebeurde er iets wat haar totaal niet aanstond zoals wij zouden merken. Moeder had ons weer eens alleen moeten laten. Dit vond vrouw Schepers altijd erg. Op die bewuste avond was de petroleum in de lamp opgebrand. Dit betekende dat wij met ons vieren in het pikkedonker zaten doch ook dat wij de figuren uit oude folders niet meer konden uitprikken. Hield je een uitgeprikte figuur tegen het lamplicht dan kreeg je die figuur door de gemaakte gaatjes heel mooi in beeld. Maar nu moest er eerst petroleum gehaald worden. Het gebeurde vlak voor zessen op een, herfstige, gure, regenachtige avond. Gelukkig liet moeder voor zulke gevallen altijd wat geld achter opdat de kinderen niet in het donker op haar hoefden te wachten. Omdat Wolter Annie en Hendrik niet alleen mocht laten, moest ik dus op pad. Het regende gestaag en het was pikdonker. De jas die ik droeg was veel te groot en feitelijk tot op de draad versleten. Wolter, maar ook Annie hadden mij streng op het hart gebonden die vijftien cent toch vooral niet te verliezen. Met de petroleumkan in mijn linkerhand en in mijn rechterhand de vijftien cent liep ik stevig door. Zekerheidhalve stak ik mijn hand met het geld in de rechterjaszak. Ik wist maar al te goed wat het betekende om zonder licht in huis te zitten. Het was een regelrechte ramp. Het was er dan aardedonker. Vooral om deze tijd van het jaar kon je dan in huis nergens iets vinden. Nu was ik opweg naar de zaak waar ze petroleum verkochten. Straatverlichting was er niet en aan het licht dat hier en daar summier uit huizen langs de straat scheen, had ik niets. Hoogstens kon ik aan de silhouetten van de huizen zien waar ik ongeveer was. Ik liep deze straat ook als ik door de week naar school ging van en naar de kerk of naar opa en oma van Eijck en naar de Rijn als ik met Wolter mee mocht vissen. Dat het donker was deerde mij niet. Ik kende de weg als mijn broekzak. Ook was ik niet bang in het donker. Dat hadden Annie en Hendrik mij onwetend afgeleerd. In hun ogen was ik het lievelingetje van moeder. En als zich dan de gelegenheid voordeed lieten zij mij dat ongenadig voelen. Zo vroegen zij mij nogal eens iets uit de kelder te halen. Zij lieten dan de kamerdeur open tot ze er zeker van waren dat ik voor de kelderdeur stond. Wilde ik dan weer terug naar de kamerdeur lopen, dan lieten zij mij niet binnen. Zij hadden de deur aan hun kant vergrendeld. En hoe ik dan ook smeekte de deur weer open te maken, Annie en Hendrik vonden het veel te leuk om mij eens even flink te laten schreeuwen en bang te maken. In het begin bestierf ik het van de angst. Ik drukte mij dan zo hard mogelijk tegen de kamerdeur en smeekte om weer binnen gelaten te worden. Na de zoveelste keer kreeg ik door dat er eigenlijk niets veranderde in mijn directe omgeving. Het mocht dan aardedonker zijn, er was verder niemand in het huis. Voor wie of wat moest ik nu eigenlijk bang mijn? Of ik nu nog een keer op de tast naar de kelder liep of mij nog harder tegen de kamerdeur aandrukte, er veranderde niets. Op een gegeven moment hield ik dus op met jammeren en wachtte tot de deur weer opgedaan zou worden. Zodra Annie en Hendrik geen geluid meer hoorden dat wees op de aanwezigheid van mij, ontgrendelden zij de deur. Ik knipperde wat met mijn ogen tegen het vale licht van de petroleumlamp maar stapte doodgemoedereerd weer de kamer binnen. Sinds die tijd was bang zijn in het donker voor mij een gedane zaak.

Om het geld niet te verliezen stopte ik het geld in de jaszak. Ik probeerde in het donker flink door te stappen. Tot ik opeens met de petroleumkan tegen een paaltje sloeg. Ik schrik, ik wil mijn evenwicht niet verliezen en trek mijn rechterhand uit de zak van de jas om niet te vallen. Het is gelukkig goed gegaan dacht ik. Die gedachte luchtte mij op en ik was blij nu ook bij de winkel aangekomen te zijn waar ze de petroleum verkochten. Met mijn verkleumde handen geef ik de kan af met de vraag om er voor vijftien cent petroleum in te doen. Kruidenier Gerritsen doet dat en vraagt naar de vijftien cent. Ik voel in mijn jaszak naar de vijftien cent. Doch waar ik ook voelde, er kwam geen vijftien cent te voorschijn. Ik raakte in paniek. Zou ik het geld dan toch verloren hebben? Maar zo even was het er nog. De winkelier werd ongeduldig.

‘Nou waar zijn die vijftien cent?’ vroeg hij wrevelig. Ik wist het niet meer.

‘Zeker zogenaamd verloren hé, om er later snoep voor te kopen,’ zei hij op bitse toon. De winkelier kende de van Eijcken goed. Arm en vies en dus niet te vertrouwen. Ik probeer mij flink te houden en als een flits ging de botsing met het paaltje door mijn hoofd. Ik zeg:

‘Mag ik de petroleumkan hier even laten staan. Ik kom zo dadelijk wel terug met de vijftien cent.’ Ik dacht; ik moet maar eens goed zoeken op de plek waar ik tegen de paal liep.

‘Goed,’ zei de Gerritsen, ‘maar schiet wel een beetje op; om acht uur ga ik dicht.’ Ik liep zo snel mogelijk naar de plek van de botsing van de petroleumkan tegen de paal. Maar het was harder gaan regenen en ik werd koud en doornat. Ik was moe en voelde mij ellendig. Geen goede jas, pikkedonker en waar waren de vijftien cent toch gebleven? Ik besloot om niet te gaan zoeken. Ik ging naar huis. Ik had een vaag vermoeden van wat mij daar te wachten stond. Met de deurknop nog in mijn hand riep ik vertwijfeld naar binnen:

‘Ik heb de vijftien cent verloren. Maar vlak voor de winkel had ik ze nog.’ Wolter, Annie en Hendrik zaten met smart bij het licht van een stompje kaars op mij te wachten. Koud en hongerig maar ook voor een momentje blij dat ze mij aan hoorden komen. Maar door mijn woorden werden de drie geïrriteerd opgeschrikt. Geen vijftien cent dus ook geen petroleum voor de lamp. Annie zei als eerste iets. Snauwerig viel ze naar mij uit:

‘Ik heb jou nog zo gezegd dat jij het geld niet…’ maar verder kwam ze niet. Ik was bij de tafel gaan staan waar het drietal omheen zat. Annie zag in het vale licht van de kaars mijn lijkbleke, verkleumde gezicht. Tranen stroomden over mijn wangen en ik maakte de indruk van een verzopen kat. Annie slikte haar boze woorden in. Wolter had meteen door dat er een ramp voor de deur stond. Hij dacht na. Als ik het geld nog had na de aanvaring met de paal dan was ik het dus niet verloren. Hij liet mij de jas uittrekken en begon de rechterjaszak grondig te onderzoeken. Het geld zat niet in de zak. Maar hij voelde gaten in de bodem van de zak. Koortsachtig greep hij nu naar de rand van de jas waar de zoom moet zitten. Maar ook daar zaten gaatjes in. Toen zei Annie:

‘Laat mij eens voelen.’ Annie zocht op de tast de hele zoom af. En ineens een kreet van vreugde. Bijna schreeuwend riep ze:

‘Ik voel het geld zitten. Het moet door de bodem van de jaszak in de zoom gevallen zijn.’ De van Eijcken veerden op. Het geld was er nog. Nu moest het nog uit de zoom gehaald worden. Hendrik stelde voor de zoom open te scheuren.

‘Nee’ zei Annie, ‘dan is de jas helemaal waardeloos geworden. Hendrik, ga je met je kleine vingertjes maar eens door die kleine opening in de zoom.’ Hendrik deed dat en het lukte hem na enig peuteren de vijftien cent weer te voorschijn te halen. Iedereen was opgelucht en vergaten mij verder de huid vol te schelden. Spontaan bood Annie zelfs aan om met mij mee te gaan de vijftien cent bij de kruidenier in te wisselen voor de met petroleum gevulde kan. Ik wist niet goed wat mij overkwam. Samen gingen we op pad. Het was opgehouden te regenen en er scheen zowaar een bleek maantje. Stevig doorstappen zat er nu wel in. Bij de winkel aangekomen zat die op slot. Het was al ruim voorbij achten. Annie trok aan de bel. Gerritsen zou toch wel open doen? Voor het raam stond de petroleumkan. Ze hoorden gestommel en de deur ging open. Winkelier Gerritsen zag de twee van Eijcken staan. Hij bromde iets van weer eens te laat te zijn maar pakte de vijftien cent van Annie aan en zij pakte de kan aan. Hij is wel zwaar. Wij nemen de petroleumkan tussen ons beide in en lopen samen opgelucht naar huis. Ik voelde iets van dankbaarheid tegenover Annie opkomen. Tegelijk schoten mij de momenten te binnen waarop zij aan de kant van Hendrik stond als ik gepest werd. Ik onderdrukte mijn gevoelens. Als ik nu zou laten blijken hoe fijn ik het vond dat Annie met mij meegegaan was, zou zij misschien een volgende keer wel iets van mij willen hebben. Terwijl ik toch echt niets weg te geven had. Ik dankte in mijn hart de God die zo te zien alles weer in leefbare banen geleid had. Thuis gekomen wachtte een verrassing. Moeder was thuis gekomen zodat er gegeten kon worden. Bij het licht van de weer ontstoken petroleumlamp werd het hele brood opgegeten. Bij thuiskomst vroeg moeder altijd aan Annie, of Hendrik en ik wel braaf geweest waren. De klachtenreeks van Annie pakte dan wel eens zo uit dat moeder de mattenklopper uit de kelder haalde. Doch daar bleef het meestal bij. Moeder vond Hendrik nog te klein voor de mattenklopper. Die kreeg gewoon een standje. En Annie? Moeder aanhoorde het verhaal van Annie hoe het gegaan was tijdens haar afwezigheid. Meestal kwam direct daarna de etenswaar op tafel die ze meegebracht had. Dit leidde iedereen zo af dat het verhaal van Annie gauw vergeten werd.

De dag na de bijna petroleumramp stond vrouw Schepers voor de deur in gezelschap van de huurbaas en een lid van het Armenbestuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *